Toespraak begrafenis Els Janssens

Toespraak begrafenis Els J

Afscheid en hulde aan Ulrich Libbrecht

Els Janssens

 

Een getuigenis vanuit de filosofie

 

Voor Ulrich Libbrecht was de zin van het leven dat wat je doet, waar je je voor inzet, wat je maakt van het leven met wat jij als unieke mens aan talenten hebt.  Hij schrijft: “Een mens moet van dit leven iets goeds maken en niet altijd uitkijken naar een beloning – het leven zelf is de mooiste beloning.” Ieder leven verlegt een steen in de rivier en nooit meer zal de rivier dezelfde zijn, zei hij vaak.

 

En dat heeft hij gedaan. Binnen de filosofie heeft hij een uniek denkkader ontwikkeld waarin hij bruggen bouwt tussen verschillende levensbeschouwingen. Maar ook in de harten en in het denken van ontzettend veel mensen heeft hij een steen verlegd, of beter een opening gemaakt langs waar het water vrijer kon stromen.

 

Wat moeten we dan doen? Dat wat jouw bevel des hemels  jou ingeeft. Er zal op deze aarde nooit meer een mens zijn als jij, als hij. Het is onze opdracht om de unieke mens die we zijn ten volle te ontplooien.  Wat je als mogelijkheden meekrijgt, is de gave, wat je ervan maakt, is de opgave.

 

“Wenn du der Träumer bist, bin ich dein Traum” citeert hij van zijn lievelingsdichter Rilke. “Als jij de dromer bent, ben ik jouw droom.” Het heelal droomde in Ulrich Libbrecht, creëerde nieuwe ideeën, interpretaties en denkbeelden en hij realiseerde ze, schreef ze op, werkte met een bijna onvermoeibare ijver om alles wat er in zijn geest ontstond uit te werken: zijn magnum opus, de Inleiding comparatieve filosofie: 2139 bladzijden, meer dan 7000 voetnoten. Want hij was een nauwkeurige werker, zocht alles op, ‘vorste’ zoals hij het graag uitdrukte. Maar hij zorgde er ook voor dat hij het op een begrijpelijke manier kon uitleggen. Hij deelde zijn kennis in toegankelijke boeken met uit het leven gegrepen voorbeelden, met wijsheid en humor: Een glimlach uit het Oosten. En hij heeft tot op het einde geschreven. Volgende maand komt er nog een nieuw boek van hem uit.

 

Hij noemde zichzelf een kritische rationalist. Kritisch tegenover de vanzelfsprekendheden en vooral tegenover alles wat kunstmatig en op winstbejag uit is. Hij was een echte vrije denker, durfde alles in vraag stellen, ook de rationaliteit zelf.

 

Denken en zoeken was altijd in wisselwerking met voelen en ontvangen. Hij was een ontroerbare mens en hechtte hier veel waarde aan. “Mir is alles Wunder” was zijn grondstemming: de onpeilbare sterren, waarvan het licht in stilte duizenden lichtjaren afleggen om ons te bereiken en daartegenover de kleine anemonen in het lentebos; de zang van een vogel, het prachtige landschap van de Vlaamse Ardennen dat zich als een groen glooiend laken rond de aarde plooit; het wonder van de groenten die in zijn tuin uit kleine zaadjes wonderlijk groeiden; hij kon ernaar zitten kijken. Hij was een filosoof met de voeten in de aarde.

 

En daarnaast was hij een wereldburger. Hij zag het als zijn opdracht om de manier waarop men in andere culturen denkt, echt te begrijpen en ervan te leren. Hij zocht naar een verzoening tussen religies en tussen zij die een religie hebben en die er geen hebben. Religie zag hij als re-ligare: herverbinden met de andere, met de natuur, met ons diepste zelf, met het grote Mysterie. En hoe je dit mysterie dan noemt, dat doet er niet toe. Het gaat om het diep geraakt worden door het mysterie waarin we leven en dat we zelf zijn.

 

Voor hem zijn wij allemaal golven die opdoemen uit de zee en weer verdwijnen in de diepte. De diepte is het Mysterie, dat wat we niet met ons verstand kunnen vatten, de grond van waaruit alles voortkomt, je kan dit God noemen of Leegte, of Manitoe. Voor hem was het de Energie die in alles als een goddelijke kracht aanwezig is en die maakt dat we in essentie één zijn. De bloemen, de dieren, de mensen, de planeten, … we zijn allemaal wonderlijke manifestaties binnen die grote kosmische stroom van energie. En dat besef van eenheid zou ons moeten verlossen van ons egoïsme. We zijn geen aparte los te knippen golfjes, we gaan in elkaar over. Als ik mijn golf vervuil, besmeur ik ook de golven rondom mij en eigenlijk de totale zee.

 

De golf van Ulrich Libbrecht was een grote golf die veel andere golven voortgestuwd heeft. Zijn zichtbare golf verdwijnt in de diepte en keert terug naar de eenheid van het water. Maar zijn kracht werkt verder in de andere golven, in de vele initiatieven die hij opgestart heeft en in de mensen die hij hiervoor enthousiast maakte. Vanuit de filosofie denk ik vooral aan de School voor Comparatieve Filosofie Antwerpen die hij in 1989 oprichtte en die nog steeds een succes is, aan de vele lezingen die hij in heel Vlaanderen en Nederland gaf, aan het 30-tal boeken dat hij geschreven heeft.

 

Nog geen jaar geleden richtten wij het Libbrechtgenootschap op, een vereniging waar zijn gedachtegoed zal verder leven en uitgedragen worden en waar we via de website en verschillende activiteiten een verbinding kunnen maken met iedereen die in zijn ideeën interesse heeft.

 

Op 28 januari van dit jaar vierden wij de lancering van het Libbrechtgenootschap. Met 220 mensen kwamen we hier in het stadhuis van Oudenaarde samen. Ik ben heel blij dat hij op die manier de waardering en de dankbaarheid van al die mensen nog heeft mogen ervaren tijdens zijn leven. Het toonde hem dat zijn leven iets betekend had.

 

Diezelfde dankbaarheid om zo’n waardevol leven wil ik ook vandaag uitspreken.

 

Omdat u allen voor hem gekomen bent, wil ik hem nog zelf aan het woord laten. Hij heeft veel van zijn boeken beëindigd met een afscheidswoord, alsof hij wou vermijden dat iets niet meer zou gezegd worden. Daarom wil ik hem nu mijn stem geven om tot u een laatste woord te spreken:

 

Met dank aan het leven – einde

Ik ben dankbaar dat ik dit avontuur heb mogen meemaken.  Ik ben, zoals ieder mens, veel dank verschuldigd aan allen die mij hebben gesteund en soms begrepen.  Ik dank mijn vrouw, die niet heeft begrepen wat ik doe, maar wel  dat ik het doe en die oneindig geduld heeft gehad met deze ‘geestelijk afwezige’, die bovendien ook aan selectieve doofheid leed.  Ik dank mijn kinderen en kleinkinderen voor wie die vreemde vader misschien een enigma was, maar ik heb hen nooit op het hart gezeten: ieder mens moet zijn eigen horizont bepalen.  Ik dank de vrienden die me hebben gesteund bij mijn werk, die – op een paar uitzonderingen na – niet altijd begrepen hebben wat er in mij omging, maar toch met schroom mijn dromen hebben aangehoord. Ik dank de mooie streek waarin ik heb gewoond en waarin ik wil begraven worden. Ik dank het landschap van mijn dromen waar mijn gevoelens een thuis hebben gevonden. Ik dank ook het wondere Mysterie waarin ik heb geademd.

 

Op het einde van De bricoleur en de dummies , in 2015, schrijft hij:

Er zullen wel een paar mensen wenen aan de rand van de onoverbrugbare kloof tussen hun leven en mijn dood. Troost zullen ze alleen vinden in de diepe stilte van hun hart, omdat ze mij daar zullen ontmoeten, blijvend ontmoeten, want daar ontmoeten de stilte van hun leven en de stilte van mijn dood elkaar.

 

En tot slot schrijft hij in het boek dat volgende maand verschijnt:

In het besef dat ik een schamel iets heb bijgedragen aan de wereld van de menselijke mogelijkheden, zeg ik tot allen die mij hebben liefgehad en die ik heb liefgehad, tot de onbekenden en onkenbaren die na mij komen, met Hadewijch: “Vaert wel ende levet scone.2017-05-20 - Afscheid Ulrich - Els Janssens